< terug

Wij geloven dat jouw rol als jeugdleider in deze tijd alle verschil kan maken in de levens van jongeren. Je kunt niet alles, maar je kunt wel iets. Zeker omdat deze tijd draait om verbinding en even niet zozeer om activiteiten.

Maar de vraag is: Hoe doe je dat nou, hoe ga je het gesprek aan met jongeren? Wat zeg je, wat vraag je? Hoe stel je de persoonlijke vragen die je zelf misschien wel als de lastige vragen ziet? Deze blog biedt aanmoediging en praktische handvatten.

1. Begin gewoon

Allereerst: begin gewoon. Waarschijnlijk is corona een reality check voor je jeugdwerk geweest. Je zag wat er aan mooie dingen is opgebouwd de afgelopen jaren, je zag vrucht van je investering. Of de andere kant: Er is eigenlijk weinig relatie, omdat je vooral gefocust was op activiteiten draaiende houden. Deze tijd laat zien wat je echt hebt opgebouwd met jongeren. Het is misschien een harde boodschap: Had die relatie maar gebouwd.

Het kan echter nog steeds. Begin gewoon en probeer de relatie aan te halen. Begin klein met een paar jongeren. Online een goed gesprek voeren met een groep is namelijk vrijwel onmogelijk. Als je online samenkomt in deze tijd (wat supergoed is!) steek dan in op verbinding, relatie, plezier met elkaar. In het contact leggen ontdek je wie openstaat voor een dieper gesprek.

Bel, spreek online af, nodig jongeren thuis uit, maak samen een wandeling. Het is niet ‘oneerlijk’ om te investeren in een paar jongeren van je groep. Doe voor één of twee jongeren wat je voor iedereen zou willen doen. Zoek eventueel anderen in de kerk om ook met een paar jongeren op te trekken.
 

2. Benoem en vraag

Voelt het raar, begin dan vanuit je rol: ‘Ik ben je jeugdleider, normaal zie ik je elke twee weken, nu gaat dat niet door. Hoe is het met je? Hoe gaat school? Mis je de jeugdavonden eigenlijk of niet?’

Je kunt benoemen wat je ziet of hoort en vragen hoe dat voor de jongeren is: ‘Ik lees in het nieuws veel over jongeren die eenzaam zijn en het moeilijk vinden. Ik moest aan jou denken. Kun je vertellen hoe deze tijd voor jou is?’

Je kunt vragen naar welk contact iemand heeft: ‘Heb je genoeg mensen om je heen die vragen hoe het met je gaat? Ik vind het belangrijk dat er zo iemand voor je is. Vind je het prettig als ik die persoon ben, of heb je daar al andere mensen voor?

Wees niet bang directe vragen te stellen. Dat is echt oké. Ze schrikken er niet van en meestal vinden ze het juist fijn. Stel vooral ook de vraag: waar willen jullie het over hebben? Waar loop je tegenaan, waar heb je vragen over? Daar komen soms verrassende onderwerpen uit.
 

3. Bouw aan de relatie

Het begint erbij dat jongeren zich gezien weten. Als je echt een gesprek aangaat en echt wilt weten hoe het gaat, voelen ze dat je om hen geeft. Ken de jongeren met wie je optrekt en laat dat ook zien. Misschien wel buitensporiger dan je normaal zou doen.

Het helpt vaak om een ritme in te bouwen. ‘Komen jullie één keer in de week of één keer in de twee weken bij ons eten?’ Of stel voor om allebei, in een bepaald ritme, iets uit de Bijbel te lezen en dan een wandeling te maken.

Stel vragen waaruit blijkt dat je echt geïnteresseerd bent. Wat speelt er in je leven op dit moment? Wat houdt je bezig? Hoe beleef je deze tijd? Laat je betrokkenheid merken. Grijp in een volgend gesprek terug op wat een jongeren in een eerder gesprek tegen je zei. Luister echt. Dan bouw je relatie.
 

4. Begin bij jezelf

Je kunt een voorbeeld zijn van hoe jij met dingen omgaat. Bij jezelf beginnen is vaak een goed idee: ‘Dit is wat ik ervan zie, kun jij vertellen hoe dat voor jou is?’ Als je zelf deelt, werkt dat uitnodigend en deelt de ander ook sneller. Iets als: ‘Ik merk bij mezelf dat ik de avonden best wel lang vind, nu ik niet meer weg kan. Hoe is dat voor jou?’

Door zelf te delen dat je daar emoties over ervaart, kun je die van de jongeren aanspreken. ‘Ik voel me wel eens opgesloten thuis en vind het moeilijk om steeds op elkaar lip te zitten. Hoe is het voor jou?’ Maak zo concreet mogelijk welke emotie het voor jou oproept. Dan nodig je de ander uit om zijn of haar emotie te delen.

Wel een voetnoot: Leg verwachtingen niet te hoog. Als een jongere de druk voelt om een diep gesprek te moeten voeren, werkt dat vaak contraproductief. Blijf zelf in de ontspanning zitten, laat voelen dat je om hen geeft, dat je er voor ze wilt zijn.
 

5. Breng de Bijbel in en bid

In je gesprekken geef je ruimte aan jongeren om te vertellen en eerlijk te zijn. Je deelt van jezelf, stelt direct vragen vanuit oprechte interesse en laat weten dat je om hen geeft. Je luistert goed.

Probeer in die gesprekken ook Gods perspectief te zoeken en de blik weer op Hem te richten. Pak de Bijbel erbij. Zeg: ‘Ik wil iets met je lezen wat misschien helpt.’ Vraag of je met en voor de jongeren mag bidden.

Lees bijvoorbeeld Filippenzen 4 over God vragen wat je nodig hebt en Hem danken in al je gebeden (vers 6). Of vers 8: Richt je op het goede, op wat van boven is. Lees Psalm 91 en bid God om bescherming. Lees een psalm en dank God voor wat je daar over hem leest.

Bid zelf voor je jongeren, voor de gesprekken die je met hen hebt. Bid dat God openheid geeft om met elkaar in gesprek te gaan. Er zit veel kracht in gebed, meer dan we soms bedenken.
 

Behapbaar

Amen. Einde blog. Je hebt het tot hier gehaald, nu nog doen. We snappen het als je nu denkt: Moet ik dit allemaal gaan doen? Het antwoord is: Nee. Lees de vorige blog nog eens door. Doe iets. Iets dat bij je past en behapbaar is. To begin, begin.

Daarom: Maak geen groot ingewikkeld plan, maak je ook niet al te druk als er niet meteen gereageerd wordt. Je kunt nog steeds aanmoedigen, dus zeg maar wat je wilt zeggen. Je wordt echt wel gehoord.

 
LEF verlangt ernaar langszij te komen als je in deze tijd hulp nodig hebt. We horen graag je verhaal en kijken (vrijblijvend) hoe we je verder kunnen helpen. We geven trainingen (online of op locatie zodra dat weer kan), bijvoorbeeld ook rond de vraag ‘Hoe nu verder?’. Of we bieden een traject van 5 individuele coachingsgesprekken. Bel of mail met Hans Sikkema (06-11813487).

Deze blog is geschreven met input van Margreet Feitsma, Hans Sikkema, Marina Bouwman en Erwin Groeneveld.

 
(Fotocredit: Alexander Andrews)