Headline

< terug

Mark Zwagerman is tien jaar staflid in Amsterdam. Het werk voelt echter steeds meer als een kramp …
‘Toen ik begon was ik alleen, maar al snel kwam Michiel Nap erbij en een paar jaar later Rozemarijn Bakker.’ Na vier jaar stopt Michiel met het lokale werk en in 2017 stopt Rozemarijn. Daarna staat Mark er drie jaar alleen voor. ‘Ik vond dat zwaar, want alleen werken is niet mijn kracht. Ik genoot van het samen werken en miste het gezamenlijk naar huis fietsen, het napraten, het verbinden en het samen op weg zijn.’ Hij voelt dat gemis no meer als hij collega’s op andere plekken ziet.


‘Ik ben een mensenmens en er was veel te doen: leiders coachen, het trainen van leiders van de kleine groep en bijbelgroepen. Ik heb veel te bieden, maar de groep is groot: tweehonderd studenten in Amsterdam.’ Regelmatig denkt Mark aan Lucas 10:2 waarin staat dat de oogst groot is, maar de arbeiders weinig. Hij bidt voor nieuwe arbeiders, maar ziet niet direct iets in die richting gebeuren. Verschillende mensen spreken hem aan en vragen zich af hoe hij het volhoudt. Mark beaamt dat het niet makkelijk is, maar blijft trouw doorgaan met zijn werk. Een kleine verlichting komt er na de komst van Kirsten Dinkelman. Toch vraagt Mark zich steeds vaker af of dit wel zijn plek is. Er komt echter niets anders op zijn pad.
In mei 2020 visualiseert Mark wat er met hem gebeurt. ‘Ik merkte dat ik steeds mijn hand tot een vuist maakte als in een kramp. Voor mij gaf dat aan hoe ik het studentenwerk in mijn hand had en niet wilde loslaten: ik voelde me erg verantwoordelijk en dat zorgde voor een ongezonde situatie. Het was alsof God tegen me zei: “Open nu je hand”. Ik interpreteerde dat alsof God van mij vroeg om het studentenwerk in Amsterdam los te laten. Dat riep vragen op, want het paste niet bij hoe God met mij en mijn vrouw bezig was en ik vond het spannend. Ik zag geen alternatief maar besefte steeds meer hoe krampachtig mijn werk was geworden.’

Mark worstelt met die vraag, maar hij weet dat wat God voor hem heeft, altijd beter is en hij maakt de keus door te zeggen: ‘Heer, mijn handen zijn open’. Zo geeft hij God ruimte om zijn perspectief te laten zien: ‘Hij vroeg me vooral om me te openen zodat Hij erbij kon. Ik vond dat heel liefdevol.’ Pas dan beseft Mark dat God niets van hem wil wegnemen, maar hem vooral iets wil geven. Op dat moment realiseert Mark zich hoe moeilijk hij het vindt om van zichzelf te houden. ‘Ik begreep dat ik anders naar mijn werk moest kijken door meer los te laten en er met meer ontspanning mee bezig te zijn.’

Diezelfde week gebeuren er bijzondere dingen: Hans Verwijs is beschikbaar om in te stappen. Daarna hoort hij dat Christiaan Verkerk erover nadenkt om van Leiden naar Amsterdam te gaan en er belt nog iemand die wil samenwerken. ‘Ik vond dat ontzettend bijzonder. Het was voor mij een reactie op de keus die ik maakte om mijn hand te openen en om los te laten wat er was. God vroeg niet om iets weg te geven, maar of Hij erbij mocht komen, zodat ik ruimte kon geven aan anderen.’ Mark ervaart dit als een opnieuw in vrijheid komen: ‘God voorziet en verhoort gebeden. Het werk wat ik doe is Gods missie en ik mag daar samen met anderen aan meewerken.’


Interview: Jeanette Vos-Spek
Fotografie: @Mirjam van Klaarbergen Photography
Streamer: Ik moest anders naar mijn werk gaan kijken